Een alternatief voor de indexsprong

23 mei 2012

België verliest marktaandeel. 'Onze loonkosten zijn hoog,' weet ook eregouverneur Fons Veplaetse, 'maar ze zijn niet de voornaamste reden voor ons verlies aan marktaandeel.' Hij is dan ook geen voorstander van een indexsprong en presenteert een veel beter voorstel.

België verliest marktaandeel, maar is daarmee zeker geen uitzondering in Europa. 'De twaalf kernlanden van Europa (België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Luxemburg, Ierland, Italië, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje) verliezen allemáál marktaandeel - op Luxemburg na. Als je kijkt naar de waarde van de werelduitvoer, zowel van goederen als van diensten, dan blijkt dat de twaalf Europese kernlanden samen tussen 2006 en 2010 14 procent aan marktaandeel hebben verloren. Nederland, Duitsland en Frankrijk samen verloren 12,6 procent aan marktaandeel, België 15,4 procent. België verliest dus 3 procentpunt meer marktaandeel dan zijn buurlanden. Maar dat is het verlies aan marktaandeel uitgedrukt in waarde, in geld, en die cijfers worden scheefgetrokken door de hoge prijzen die de olie-exporterende landen konden aanrekenen, zonder dat hun volume aan export wijzigde. Daarom is het methodologisch correcter om te kijken naar wat er gebeurd is met het volume dat we uitvoeren in plaats van naar de waarde.

Als we kijken naar het volume dat België uitvoerde, wat zien we dan?

Verplaetse: Dan zie je dat België de voorbije twintig jaar altijd marktaandeel bij de uitvoer verloren heeft, met een gemiddeld verlies van 6,4 procent over een periode van vijf jaar. Tussen 2002 en 2007 boekten we ons grootste verlies: bijna min 13 procent. Daarna verloren we steeds minder marktaandeel. Voor de periode 2007 en 2012 rekent de OESO erop dat we 0,7 procent aan marktaandeel in volume zullen verliezen, terwijl Eurostat het houdt op min 3 procent. Laten we het houden op het gemiddelde van de twee: België verloor tussen 2007 en 2012 1,8 procent marktaandeel, hetzij zo'n 0,4 procent per jaar, precies hetzelfde percentage als voor de periode 2006-2011. Pas op, ik vind dat we nog altijd te veel marktaandeel verliezen, maar het dramatische cijfer van min 15 procent marktaandeel moet toch wel zeer sterk genuanceerd worden.

Hoe komt het dat België marktaandeel verliest? Het meest ge-hoorde antwoord luidt: onze loonkosten zijn te hoog.

Verplaetse: Excuseer me de uitspraak, maar dat onze hoge loonkosten de voornaamste oorzaak zijn voor het verlies aan marktaandeel is larie. Dat zie je gewoon als je de evolutie van onze uitvoer legt naast de evolutie van onze loonkosten in vergelijking met onze buurlanden: op het ogenblik dat de loonhandicap van België toeneemt, vermindert zelfs het verlies aan marktaandelen.
Veel belangrijker om ons verlies aan marktaandeel te verklaren, is dat we in België veel te weinig investeren in Onderzoek en Ontwikkeling, dat we niet genoeg moderne producten vervaardigen, dat we ons onvoldoende inspannen om door te dringen in meer afgelegen snelgroeiende economieën enzovoort. Er zijn dus andere, structurele elementen die belangrijker zijn dan onze loonkosten om ons verlies aan marktaandeel te verklaren.

Toch grijpen sommigen die verklaring aan om te pleiten voor een indexsprong, het overslaan van een aanpassing van de lonen aan de index, om zo de loonkosten in toom te houden en onze economie weer competitiever te maken.

Verplaetse: En daarbij wordt dan verwezen naar de indexsprongen in 1982-1983 - waarbij een aantal belangrijke zaken dan over het hoofd worden gezien. En ik kan het weten, want ik was er zeer nauw bij betrokken. Ten eerste gold de indexsprong toen niet voor de lagere inkomens, hun wedde werd gewoon aangepast aan de index. Dat zou nu toch ook moeten gebeuren, want anders belanden nog meer mensen in armoede. Ten tweede kwam de opbrengst van de indexsprong ten goede aan de overheidsfinanciën, terwijl ik de indruk heb dat men vandaag de opbrengsten van zo'n indexsprong wil verdelen onder de werkgevers en de werknemers. En ten derde moest iedereen toen een bijdrage leveren, niet alleen de loon- en weddetrekkende. De zelfstandigen, bijvoorbeeld, moesten toen óók een gelijkwaardige inspanning leveren via een solidariteitsbijdrage. Is daar nu ook sprake van? En ik zal er nog één ding aan toevoegen. Die indexsprongen werden toen toegepast door een coalitie van christendemocraten en liberalen: Wilfried Martens was premier, Jean Gol, Charles-Ferdinand Nothomb en Willy De Clercq waren vicepremiers. Het zou voor mij onbegrijpelijk zijn mocht de huidige regering-Di Rupo, waarvan de socialisten dus deel uitmaken, nu afzien van zo'n solidariteit tussen de inkomens van werknemers en de andere inkomens.

Dus: vergeet de indexsprong?

Verplaetse: Ja, maar ik zeg niet dat er totaal geen probleem is met onze loonkosten. Die wegen op de arbeidsintensiteit van onze economische groei, vooral nadat de no-tionele-interestaftrek werd in-gevoerd: toen werd het nog interessanter om kapitaalintensieve investeringen te doen, zeg maar om te investeren in machines in plaats van in mensen. Er moet dus iets gedaan worden aan onze loonkosten, maar een indexsprong is vandaag niet de beste oplossing. In elk geval moet voor mij het indexmechanisme gehandhaafd blijven voor de lagere inkomens, anders creëer je meer ongelijkheid. En voor de hogere inkomens zou ik het indexmechanisme ook niet zomaar afwijzen, want het bracht ons sociale rust en welvaart. Ik zou pleiten voor een andere ingreep om iets te doen aan onze loonkosten.

Wat zou u doen om onze loonkosten meer concurrentieel te maken?

Verplaetse: Ik pleit voor een soort budgettaire devaluatie: een vermindering van patronale bijdragen die uitvoer en jobcreatie stimuleert, gefinancierd door een veralgemeende beperkte bijdrage voor vrijwel iedereen. Ik ben voorstander van een forfaitaire vermindering van de werkgeversbijdrage van 1500 euro per voltijds equivalente werknemer, gespreid in te voeren over twee jaar. Het Federaal Planbureau en de Nationale Bank hebben in april 2011 een lijvige studie gepubliceerd over die problematiek, en ik raad iedereen die begaan is met de competitiviteit van onze economie aan om die te lezen. In die studie worden heel wat scenario's uitgevlooid, maar het is duidelijk dat een vermindering van de patronale bijdrage de beste manier is om jobs te creëren en onze uitvoer te stimuleren. Want de loonkosten dalen dan, onze producten worden goedkoper en zullen dus meer afzet vinden in het buitenland, onze uitvoer zal stijgen en er zullen jobs bij komen. Een zeer belangrijke opmerking hierbij: het geld dat de werkgevers uitsparen dankzij een vermindering van de patronale bijdrage mag niet verdeeld worden onder de werkgevers en de huidige werknemers. Ze mag dus niet gaan naar meer dividenden, bonussen of loonopslag. Het geld dat ze uitsparen moet geïnvesteerd worden in het creëren van jobs en vooral in het bevorderen van de uitvoer.

Maar onze overheidsfinanciën verbeteren dan niet meteen.

Verplaetse: Daarom zou ik de verlaging van de patronale bijdragen financieren met een algemene socia-le bijdrage van 2 procent, eveneens in te voeren gespreid over twee jaar. Het gaat over een heffing op een zeer brede basis, waarbij er nauwelijks vrijstellingen zouden zijn. Het Planbureau heeft daar berekeningen over gemaakt, waarbij zowel de loon- als weddetrekkenden, de vervangingsinkomens, de roerende en onroerende inkomens, de inkomens van zelfstandigen en de exploitatieresultaten van de ondernemingen hun steentje bijdragen. Als je zowel de patronale bijdragen vermindert als een algemene sociale bijdrage invoert, kun je onze uitvoer en onze jobcreatie gevoelig verbeteren. Dat is waar ik voor pleit.

Knack – 23 mei 2012

terug